Onderwijs en kinderen in cijfers
Deze diavoorstelling loopt langs vijf onderwijsindicatoren uit de World Development Indicators van de Wereldbank. Per indicator ziet u een ranglijst van landen, de waarde en positie van het uitgelichte land, en het verloop over de beschikbare jaren. Alle beelden komen uit dezelfde dataset als het artikel hieronder.
| Government spending on education | 58 | Nederland besteedt 5,1792% van het bbp aan onderwijs |
| Children out of primary school | 28 | 0,5191% van de kinderen van basisschoolleeftijd gaat niet naar school |
| Tertiary enrolment | 19 | De inschrijvingsgraad in het hoger onderwijs is 86,5938% |
| Secondary school enrolment | 4 | Het voortgezet onderwijs komt uit op 137,5147%, plaats 4 van 208 landen |
| Pupils per teacher (primary) | 29 | In het basisonderwijs komen 11,8059 leerlingen op één leraar |
Lees elk beeld op zichzelf: bekijk eerst de waarde van het uitgelichte land en daarna de positie in de ranglijst. Vergelijk geen waarden tussen de beelden onderling, want de eenheden verschillen (percentage van het bbp, inschrijvingsgraad, leerlingen per leraar) en ook het aantal onderzochte landen loopt per indicator uiteen.
TITEL: Onderwijs en kinderen — waar Nederland staat in de wereldcijfers
TITLE: Onderwijs en kinderen — waar Nederland staat in de wereldcijfers
Kernpunten
Nederland staat in dit thema over vrijwel de hele linie in de bovenste regionen, maar niet overal even ruim. Het duidelijkst is de deelname aan het voortgezet onderwijs: met een bruto-inschrijvingsgraad van 137,5147% staat Nederland op de 4e plaats van 208 landen, ruim boven de wereldwaarde van 77,2786%. Ook aan de investeringskant zit Nederland aan de goede kant van het gemiddelde: de overheidsuitgaven aan onderwijs bedragen 5,1792% van het bbp, goed voor plaats 58 van 203 landen tegenover een wereldwaarde van 3,5693%. Tegelijk laat één cijfer een andere beweging zien: het aandeel kinderen van basisschoolleeftijd dat niet naar school gaat is 0,5191% (plaats 28 van 205) en daarmee hoger dan enkele jaren geleden, toen het 0,1266% was.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — Government expenditure on education, total (% of GDP) (SE.XPD.TOTL.GD.ZS); School enrollment, secondary (% gross) (SE.SEC.ENRR); Children out of school (% of primary school age) (SE.PRM.UNER.ZS).
De recentste waarde van de kernindicator
De eerste indicator van deze editie zijn de overheidsuitgaven aan onderwijs, uitgedrukt als percentage van het bbp. Voor Nederland is de laatst gerapporteerde waarde 5,1792%, wat neerkomt op de 58e plaats van 203 landen in de vergelijking. Dat ligt ongeveer 1,61 procentpunt boven de wereldwaarde van 3,5693%, dus Nederland besteedt naar verhouding meer dan het wereldcijfer aangeeft. Wel gaat het uitsluitend om uitgaven van de overheid; de waarde heeft betrekking op het jaar 2022, het laatste jaar in de reeks voor Nederland.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — Government expenditure on education, total (% of GDP) (SE.XPD.TOTL.GD.ZS).
Koplopers en hekkensluiters
Aan de bovenkant van de onderwijsuitgaven staan vooral kleine eilandstaten en landen met een beperkte economische omvang: Kiribati 16,3905%, Amerikaans-Samoa 14,717%, Tuvalu 12,8457% en Micronesia 11,5591%, gevolgd door Namibië 9,0844% en Algerije 8,9777%. Onderaan staan Somalië 0,0%, Nigeria 0,3191%, Zimbabwe 0,3848% en Papoea-Nieuw-Guinea 0,7821%, met daarnaast ook grotere economieën als Indonesië 1,2752% en Libanon 1,2249%. Nederland zit met 5,1792% duidelijk in de bovenste helft, maar het verschil met de koplopers is groot — de aard van die groep (kleine economieën waar één begrotingspost snel zwaar weegt) verschilt sterk van die van Nederland. Bij het voortgezet onderwijs zit Nederland juist wél bij de uiterste kop: met 137,5147% staat het achter Monaco 158,5466%, België 142,9603% en Finland 142,3952%, en net vóór Saint Kitts en Nevis 137,5132%.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — Government expenditure on education, total (% of GDP) (SE.XPD.TOTL.GD.ZS); School enrollment, secondary (% gross) (SE.SEC.ENRR).
Hoe het beeld over tien jaar verschoof
De onderwijsuitgaven van Nederland bewogen binnen een smalle band: van 5,4842% in 2013 naar een laagste punt van 5,0559% in 2019, daarna 5,3766% in 2021 en 5,1792% in 2022. Ten opzichte van 2013 is dat ongeveer 0,31 procentpunt lager. De deelname aan het hoger onderwijs steeg juist stevig: van 75,5188% in 2011 naar 89,3899% in 2021, met 86,5938% in 2023 — ruim elf punten hoger dan begin jaren tien, al ligt de laatste waarde bijna drie punten onder de piek. Het voortgezet onderwijs maakte een sprong van 114,8042% in 2019 naar 136,2842% in 2020 en bleef daarna rond de 137–138%. Het aandeel kinderen buiten het basisonderwijs liep op van 0,1266% in 2019 via 0,4057% in 2022 naar 0,5191% in 2023. Voor de leerling-leraarratio geldt een uitdrukkelijke beperking: de reeks loopt door tot 2017 (11,8059 leerlingen per leraar, tegen 11,5583 in 2011), zodat dit cijfer niet als recente ontwikkeling gelezen kan worden.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — SE.XPD.TOTL.GD.ZS, SE.TER.ENRR, SE.SEC.ENRR, SE.PRM.UNER.ZS en Pupil-teacher ratio, primary (SE.PRM.ENRL.TC.ZS).
Vergeleken met vergelijkbare landen
Bij de onderwijsuitgaven zit Nederland met 5,1792% dicht bij Duitsland 5,2392% (een verschil van ongeveer 0,06 procentpunt) en Frankrijk 5,3243%, iets onder de Verenigde Staten 5,4204% en Zuid-Korea 5,4091%, en ongeveer 0,73 procentpunt onder het Verenigd Koninkrijk 5,9068%. China 3,8971% en Japan 3,3366% liggen lager. In het hoger onderwijs staat Nederland met 86,5938% boven het Verenigd Koninkrijk 80,4146%, de Verenigde Staten 79,3619%, China 76,8758%, Duitsland 76,7097%, Frankrijk 71,5347% en Japan 64,4908%; alleen Zuid-Korea ligt met 111,8533% hoger. In het voortgezet onderwijs is het verschil met de buurlanden opvallend: Nederland 137,5147% tegenover België 142,9603%, en ruim boven Duitsland 100,2437%, Frankrijk 103,7854% en het Verenigd Koninkrijk 112,12%. Bij kinderen buiten het basisonderwijs staat Nederland met 0,5191% juist hoger dan Duitsland 0,2739%, Frankrijk 0,2044% en het Verenigd Koninkrijk 0,0698%, maar veel lager dan de Verenigde Staten 3,9822% en China 6,6763%. De leerling-leraarratio van 11,8059 ligt onder die van Duitsland 12,3028, de Verenigde Staten 14,1986 en het Verenigd Koninkrijk 15,1327, en boven Luxemburg 8,3033 en Noorwegen 8,5942.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — SE.XPD.TOTL.GD.ZS, SE.TER.ENRR, SE.SEC.ENRR, SE.PRM.UNER.ZS, SE.PRM.ENRL.TC.ZS.
Hoe u deze cijfers leest
De uitgavenindicator betreft uitsluitend overheidsuitgaven als aandeel van het bbp; wat huishoudens zelf betalen aan lesgeld of onderwijs buiten school telt niet mee. Een hoger of lager percentage zegt daarom op zichzelf weinig over het totale onderwijsbudget of over de kwaliteit van het onderwijs, en dat de koplopers vooral kleine economieën zijn (Kiribati 16,3905%) illustreert hoe gevoelig zo'n verhouding is voor de omvang van de economie. De inschrijvingsgraden zijn bruto-cijfers (% gross): leerlingen buiten de gebruikelijke leeftijdsgroep en zittenblijvers tellen mee, waardoor waarden boven 100% ontstaan — Nederland 137,5147% in het voortgezet onderwijs, Griekenland 165,1134% in het hoger onderwijs. Die percentages betekenen dus niet dat iedereen is ingeschreven of dat er overbezetting is. Voor het aandeel kinderen buiten het basisonderwijs geeft de bron geen wereldwaarde, zodat een vergelijking met een wereldgemiddelde hier achterwege blijft; de rangorde betreft alleen landen die cijfers rapporteren. Ook loopt het laatste feitelijke jaar per indicator uiteen — uitgaven tot 2022, inschrijvingen en niet-schoolgaande kinderen tot 2023, de leerling-leraarratio tot 2017 — waardoor vergelijkingen niet op één peiljaar rusten. De gegevens worden jaarlijks via de World Development Indicators van de Wereldbank bijgewerkt en eerdere jaren kunnen bij nieuwe rapportages worden herzien; kleine verschuivingen in de rangorde zijn daarom niet zonder meer betekenisvol.
Bron: Wereldbank, World Development Indicators — SE.XPD.TOTL.GD.ZS, SE.PRM.UNER.ZS, SE.TER.ENRR, SE.SEC.ENRR, SE.PRM.ENRL.TC.ZS.
Onderwijsuitgaven (% van het bbp) op de kaart en in grafieken
Bovenaan staan kleine economieën als Kiribati 16,3905% en Tuvalu 12,8457%; onderaan Somalië 0,0% en Nigeria 0,3191%. Nederland staat met 5,1792% in de bovenste helft, dicht bij Duitsland 5,2392%.
De staven laten zien hoe ver de koplopers uitlopen op de rest, terwijl het middenveld dicht op elkaar zit. De lijn voor Nederland beweegt binnen een smalle band: 5,4842% in 2013, 5,0559% in 2019 en 5,1792% in 2022.
Landen vergelijken
Kinderen buiten het basisonderwijs
| Rang | Land / gebied | % |
|---|---|---|
| 1 | Verenigde Arabische Emiraten | 0 |
| 2 | Azerbeidzjan | 0.03 |
| 3 | Uruguay | 0.04 |
| 4 | Zuid-Korea | 0.06 |
| 5 | Japan | 0.07 |
| 26 | Noord-Korea | 0.51 |
| 27 | Portugal | 0.51 |
| 28 | Nederland | 0.52 |
| 29 | Saoedi-Arabië | 0.53 |
| 30 | Botswana | 0.54 |
| 203 | Equatoriaal-Guinea | 65.6 |
| 204 | Afghanistan | 68.77 |
| 205 | Somalië | 85.27 |
Aan de kop staan de Verenigde Arabische Emiraten 0,0039% en Zuid-Korea 0,0557%; onderaan Somalië 85,2728% en Afghanistan 68,7716%. Nederland zit met 0,5191% ruim bij de kopgroep, maar boven Duitsland 0,2739% en het VK 0,0698%.
De staven lopen van promilles tot tientallen procenten, dus het onderste deel van de lijst bepaalt het beeld. Het verloop voor Nederland gaat omhoog: 0,1266% in 2019, 0,4057% in 2022 en 0,5191% in 2023.
Deelnamepercentage hoger onderwijs
| Rang | Land / gebied | % |
|---|---|---|
| 1 | Griekenland | 165.11 |
| 2 | Macau | 141.86 |
| 3 | Cyprus | 120.88 |
| 4 | Hongkong | 120.09 |
| 5 | Zuid-Korea | 111.85 |
| 17 | Georgië | 89.49 |
| 18 | Oekraïne | 87.19 |
| 19 | Nederland | 86.59 |
| 20 | Albanië | 84.15 |
| 21 | Zweden | 84 |
| 201 | Equatoriaal-Guinea | 1.84 |
| 202 | Frans-Polynesië | 1.46 |
| 203 | Haïti | 1.05 |
Griekenland 165,1134% en Macau 141,8648% staan bovenaan, Haïti 1,0514% en Frans-Polynesië 1,4568% onderaan. Nederland ligt met 86,5938% boven het VK 80,4146% en Duitsland 76,7097%, maar onder Zuid-Korea 111,8533%.
De staven tonen een zeer brede spreiding: tussen kop en staart zit meer dan een factor honderd. De lijn stijgt van 75,5188% in 2011 naar 89,3899% in 2021 en zakt daarna naar 86,5938% in 2023.
Deelnamepercentage voortgezet onderwijs
| Rang | Land / gebied | % |
|---|---|---|
| 1 | Monaco | 158.55 |
| 2 | België | 142.96 |
| 3 | Finland | 142.4 |
| 4 | Nederland | 137.51 |
| 5 | Saint Kitts en Nevis | 137.51 |
| 6 | Vanuatu | 134.67 |
| 206 | Haïti | 17.17 |
| 207 | Centraal-Afrikaanse Republiek | 15.81 |
| 208 | Somalië | 3.35 |
Monaco 158,5466%, België 142,9603% en Finland 142,3952% staan boven Nederland; Saint Kitts en Nevis volgt met 137,5132%. Onderaan staan Somalië 3,3479% en de Centraal-Afrikaanse Republiek 15,8074%.
De bovenkant van de ranglijst ligt dicht op elkaar, terwijl de staart ver achterblijft. Het verloop springt van 114,8042% in 2019 naar 136,2842% in 2020 en blijft daarna rond 137%.
Leerlingen per leerkracht (basisonderwijs)
| Rang | Land / gebied | leerlingen per leerkracht |
|---|---|---|
| 1 | San Marino | 6.93 |
| 2 | Liechtenstein | 7.8 |
| 3 | Luxemburg | 8.3 |
| 4 | Noorwegen | 8.59 |
| 5 | Koeweit | 8.88 |
| 27 | Maleisië | 11.66 |
| 28 | Monaco | 11.7 |
| 29 | Nederland | 11.81 |
| 30 | Bahrein | 11.92 |
| 31 | Cyprus | 12.04 |
| 204 | Malawi | 58.68 |
| 205 | Rwanda | 59.51 |
| 206 | Centraal-Afrikaanse Republiek | 83.41 |
San Marino 6,9306 en Liechtenstein 7,8016 staan bovenaan, de Centraal-Afrikaanse Republiek 83,412 en Rwanda 59,5086 onderaan. Nederland zit met 11,8059 onder Duitsland 12,3028 en het VK 15,1327.
De staven laten zien dat de onderkant van de lijst vier tot zeven keer zoveel leerlingen per leraar telt als de kop. De lijn voor Nederland is vlak: 11,5583 in 2011 tegen 11,8059 in 2017.