Onderwijs en kinderen wereldwijd
Nederlands

Welk land geeft het meest uit aan onderwijs? — Japan staat met 3.34% van het bbp op plaats 136 van 203 landen

Wereldwijde statistieken over Onderwijs en kinderen in de gaten houden

Start / Lezen

Hoe meet je hoeveel een land in onderwijs investeert?

Bij internationale vergelijkingen van de inspanningen die landen voor onderwijs leveren, wordt het vaakst gekeken naar het ‘aandeel van de overheidsuitgaven aan onderwijs in het bruto binnenlands product (bbp)’. Omdat niet het absolute bedrag, maar de verhouding tot de omvang van de economie wordt gebruikt, kunnen ook landen met verschillende economische grootten met elkaar worden vergeleken. In de World Development Indicators (WDI) van de Wereldbank is deze indicator opgenomen voor 203 landen en gebieden.

De wereldwijde waarde voor het meest recente jaar bedraagt 3.57%. Dat betekent dat een gemiddeld land ongeveer 3.6% van zijn totale economie besteedt aan overheidsuitgaven voor onderwijs.

Japan staat op plaats 136 van 203 landen

De waarde voor Japan bedraagt 3.34%, goed voor plaats 136 van de 203 landen en gebieden. Dat ligt iets onder de wereldwijde waarde van 3.57% en betekent dat Japan qua ranglijst onder het midden uitkomt. Dat wijkt enigszins af van de positie die men zich bij de term ‘onderwijsgrootmacht’ zou voorstellen.

Het is echter belangrijk om te beseffen dat deze indicator alleen meet wat de overheid uitgeeft. Wat huishoudens betalen voor bijlessen of collegegeld valt hier niet onder. In landen zoals Japan, waar particuliere uitgaven een groot gewicht hebben, leidt het gebruik van alleen deze indicator ertoe dat het bedrag dat daadwerkelijk aan onderwijs wordt besteed, te laag wordt ingeschat.

Bovenaan staan kleine landen

Bovenaan staan met 16.39% voor Kiribati op plaats 1, 14.72% voor Amerikaans-Samoa op plaats 2 en 12.85% voor Tuvalu op plaats 3 vooral eilandstaten en -gebieden in de Stille Oceaan. Omdat hun bevolking klein is, kan zelfs het in stand houden van één school al een groot aandeel van de economische omvang vertegenwoordigen. Een hoog percentage betekent dus niet automatisch dat het onderwijs goed ontwikkeld is.

Aan de andere kant van de ranglijst staan Somalië (0.00%), Nigeria (0.32%) en Zimbabwe (0.38%), landen waar geen statistieken beschikbaar zijn of waar de overheidsuitgaven zelf extreem laag zijn. Het verschil tussen de boven- en onderkant bedraagt meer dan 40 keer; deze indicator beschrijft dus geen verdeling die met ‘één gemiddelde waarde’ kan worden samengevat.

Wat schooldeelname betreft staat Japan wereldwijd hoog

Hoewel Japan qua uitgaven in de middenmoot staat, verandert zijn positie wanneer wordt gekeken naar de vraag of kinderen daadwerkelijk naar school gaan.

Het aandeel kinderen dat niet naar de basisschool gaat, bedraagt 0.07%, het op vier na laagste percentage van 205 landen en gebieden. Het ligt op een vergelijkbaar niveau als de Verenigde Arabische Emiraten op plaats 1 (0.004%), Azerbeidzjan op plaats 2 (0.027%) en Uruguay op plaats 3 (0.036%). Onderaan staan Somalië (85.27%), Afghanistan (68.77%) en Equatoriaal-Guinea (65.60%); er bestaan daadwerkelijk landen waar meer dan de helft van de kinderen in de basisschoolleeftijd niet naar school gaat.

De bruto-inschrijvingsgraad in het middelbaar onderwijs bedraagt 101.54%, goed voor plaats 57 van 208 landen, en ligt ruim boven de wereldwijde waarde van 77.28%. De bruto-inschrijvingsgraad in het hoger onderwijs bedraagt 64.49%, goed voor plaats 60 van 203 landen, en ligt meer dan 20 procentpunten boven de wereldwijde waarde van 43.62%.

Hoe moet je inschrijvingspercentages boven 100% lezen?

Dat de bruto-inschrijvingsgraad in het middelbaar onderwijs boven 100% uitkomt, komt doordat deze indicator de bruto-inschrijvingsgraad (gross enrollment ratio) meet. De noemer is de bevolking in de leeftijd die bij dat onderwijsniveau hoort, terwijl de teller het aantal ingeschreven leerlingen van alle leeftijden is. Door zittenblijven, versneld onderwijs en mensen die op latere leeftijd hun opleiding hervatten, kan het percentage boven 100% uitkomen. Ook Monaco op plaats 1 (158.55%), België op plaats 2 (142.96%) en Finland op plaats 3 (142.40%) komen om dezelfde reden boven 100% uit. Het cijfer betekent niet dat ‘iedereen naar school gaat’.

Het aantal kinderen per leerkracht

Een andere indicator die de omstandigheden in het onderwijs weergeeft, is de leerling-leerkrachtverhouding. Deze geeft aan hoeveel kinderen er op de basisschool per leerkracht zijn. In Japan zijn dat 15.66 leerlingen, goed voor plaats 74 van 206 landen en gebieden, en minder dan de wereldwijde waarde van 23.45 leerlingen. Bovenaan staan San Marino (6.93 leerlingen), Liechtenstein (7.80 leerlingen) en Luxemburg (8.30 leerlingen), allemaal kleine landen. Onderaan staan de Centraal-Afrikaanse Republiek (83.41 leerlingen), Rwanda (59.51 leerlingen) en Malawi (58.68 leerlingen); in sommige landen komt het erop neer dat één leerkracht verantwoordelijk is voor meer dan 80 kinderen.

Uitgaven en resultaten leiden niet tot dezelfde ranglijst

Alles bij elkaar genomen heeft Japan de combinatie van een overheidsuitgavenpercentage onder het wereldwijde gemiddelde, maar een hoge schooldeelname en gunstige personeelsbezetting. De ranglijst voor uitgaven komt niet overeen met die voor resultaten.

De hoogte van het percentage wordt sterk beïnvloed door factoren zoals de geringe omvang van de economie en het grote aandeel particuliere uitgaven. Inschrijvingspercentages en het aantal leerlingen per leerkracht geven daarentegen beter weer hoe het onderwijs in een land er op dit moment daadwerkelijk voor staat. Het is moeilijk om op basis van één indicator te bepalen welk land ‘veel geld aan onderwijs besteedt’; pas door uitgaven, schooldeelname en personeelsbezetting naast elkaar te leggen, wordt de positie duidelijk.

Bronnen

Alle waarden zijn gebaseerd op het meest recente jaar waarvoor gegevens voor de betreffende indicator beschikbaar zijn. Alleen de leerling-leerkrachtverhouding betreft 2019; de overige indicatoren betreffen 2025.